Anatomie van de hand en pols

De hand bestaat uit een brede handpalm (metacarpus/metacarpium) met 5 vingers, bevestigd aan de onderarm door een verbinding genaamd de pols(carpus).

De pols (carpus) bestaat bij de mens uit acht handwortelbeentjes (ossa carpi). Op de pols sluit zich de middenhand (metacarpus) aan, die uit vijf langgerekte middenhandsbeentjes  bestaat. Het vrij beweeglijke deel van de menselijke hand wordt gevormd door de vijf vinders (digiti manus) die tezamen 14 vingerkootjes tellen (twee voor de duim en telkens drie voor de anderen vier vingers). Ze bevinden zich aan de uiterste rand van de handpalm en kunnen aldus over de handpalm worden gevouwen om zaken vast te grijpen. De twee vingerkootjes tellende duim is verbonden met de palm door het os trapezium. De duim kan makkelijk 90° worden gedraaid, wat loodrecht is in verhouding tot de handpalm, in tegenstelling tot de andere vingers die slechts ongeveer 45° kunnen worden gedraaid.

Daarnaast zijn er heel veel spieren, gewrichtsbanden en pezen in de hand te vinden. Spieren zijn structuren die samentrekken/ontspannen, dit zorgt ervoor dat de beenderen in de handten opzichte van elkaar kunnen bewegen.

De pezen zijn de structuren die uit de spier ontstaan en vervolgens op en in de botuiteinden gaan vasthechten, ze zorgen voor een stevige overgang tussen het spierweefsel en het bot.

Anatomie van de elleboog

De elleboog is het gewricht tussen boven- en onderarm. Het ellebooggewricht is samengesteld uit drie gewrichten. Door deze gewrichten kan de onderarm ten opzichte van de bovenarm over een afstand van 130° worden gebogen (flexie) en vervolgens weer volledig worden gestrekt (extensie). De onderarm kan om zijn lengteas 80° naar binnen worden gedraaid (pronatie) en 80° naar buiten worden gedraaid (supinatie).

Er zijn drie botten betrokken bij de elleboogbewegingen: De bovenarm (“humerus”) en in de onderarm de ellepijp (“ulna”) en het spaakbeen (“radius”). Het gewricht tussen humerus en ulna is een scharniergewricht wat alleen buigen en strekken in de ellenboog toelaat.

Het gewricht tussen humerus en radius is een kogelgewricht, maar doordat het uiteinde van het spaakbeen (“radiuskop”) tegen de ulna aanligt wordt de beweging ervan beperkt in twee richtingen, namelijk strekken en buigen van de ellenboog en draaien om zijn lengteas.

Het gewricht tussen ulna en radius is een glijgewricht. Het radiuskopje wordt door een band (die begint ter hoogte van de ellepijp, rond het kopje van het spaakbeen loopt, om vervolgens weer aan de ellepijp vast te hechten) tegen de ulna gehouden. Ook deze band is aan de binnenzijde met kraakbeen bedekt. In dit gewricht is het draaien om de lengteas van de onderarm mogelijk.

Voor onderstaande behandelingen van de hand, pols en elleboog kunt u bij ons terecht